Interactief leren en het oplichterssyndroom


Tekst door Edo Kamers

Jana Vyrastekova is onderzoeker en docent Economie aan de Radboud Universiteit. In dit korte interview staat ze stil bij de functie van falen in het leerproces en de angsten die ze als beginnend docent ervaarde: 'Je staat voor de klas en denkt bij jezelf: Wat doe ik hier? Dit slaat nergens op!'

Beginnende docenten zijn nog wel eens bang om door de mand te vallen. Was dat bij jou ook het geval? ‘Zeker weten. Tegenwoordig hebben we daar gelukkig een term voor, namelijk het ‘imposter syndrome’ (oplichterssyndroom red.). Als iemand met een wetenschappelijke aanleg voor het eerst voor een volle leszaal staat, kan het zijn dat die persoon plots gaat twijfelen aan zijn eigen kwaliteiten en kennis. Dan heb je het gevoel dat je niet de geschikte persoon bent om anderen te onderwijzen over het onderwerp. Je hebt het gevoel dat je de boel aan het ‘oplichten’ bent. Maar als je er eenmaal staat, dan moet je door. Terwijl je bij jezelf denkt: ‘Wat doe ik hier? Dit slaat nergens op!’ Op dat soort momenten kun je je ook maar beperkt voorbereiden. Dat maakt het extra spannend. Ik kan me niet voorstellen dat andere docenten zich daarmee niet kunnen identificeren. Voor mij voelt het heel natuurlijk om steeds nieuwe dingen te willen leren; om de wereld om mij heen te willen begrijpen, maar op het moment dat ik die kennis moet overdragen aan een ander slaan de twijfels toe. Dat is de kern van het imposter syndrome en daar moet je mee leren omgaan.’

Wat leer je van dat soort momenten? ‘Waar je op dat moment niet bij stilstaat is dat leren altijd in interactie gaat. Dat betekent dat je soms nieuwe dingen moet proberen om achteraf te kunnen evalueren wat goed ging en wat beter kon. Het stellen van die vragen aan jezelf is soms best pittig, maar je moet inzien dat je anders niet kan leren. Erkennen dat je ergens niet goed in bent is het begin van elk leerproces. Als je nooit de dingen onder ogen komt die je niet kan, leidt dat tot totale stagnatie. Dan leer je niks meer bij.’

Is er in het onderwijs genoeg ruimte om fouten te maken? ‘In het onderwijs is het heel belangrijk om een gevoel van onbekwaamheid, bij studenten of docenten, niet te bestraffen. Je moet het gebruiken als een bron van motivatie. Dat is heel moeilijk, want negatieve emoties motiveren niet. Maar uit onbekwaamheid komt ook nieuwsgierigheid voort. Nieuwsgierigheid is voor mijn gevoel een heel belangrijke eigenschap die wij, helaas met groot succes, hebben weggewerkt uit ons onderwijs. Daar maak ik me zorgen over. Daarom vind ik het ook belangrijk dat we de dialoog over onbekwaamheid in leven houden. De meest waardevolle leermomenten in mijn leven waren bijna altijd verbonden aan vreselijk falen. Ik heb ooit een vak aan de universiteit gevolgd dat ik per sé met een 8 wilde afsluiten. Ik bleef echter steeds op een 6 of een 7 steken. Toen ik bij de docent daar mijn beklag over ging doen, zei hij: ´Dit vak is gewoon niet voor jou weggelegd, maak je daar geen zorgen over en kijk vooruit.´ Ik heb er jarenlang over gedaan om te accepteren dat hij gelijk had. Het ging om een wiskunde vak waarvoor je een zeer sterk analytisch vermogen nodig had. Ik kijk veel meer synthetisch naar de informatie die ik krijg. Het had me een hoop kopzorgen bespaard als ik die realiteit eerder onder ogen was gekomen. Het kan heel nuttig zijn om af en toe te beseffen waar je staat; te beseffen wat je wel en niet goed kan.’

Wat heb je hieruit meegenomen? ‘Ik ben voorstander van een onderwijssysteem waarin we openlijk reflecteren op ons falen, zodat we ervan leren en verder kunnen gaan zonder bang te zijn dat ons falen al te grote consequenties heeft. Falen is alleen een probleem als je daardoor gaat stoppen met zoeken waar je interesses liggen.’